Het gebeurt niet elke dag: een concert dat uitsluitend twee violen op het podium plaatst, zonder orkest of pianobegeleiding. Bij het repertoire voor soloviool kunnen we ons meteen iets voorstellen, maar dat voor twee violen is voor velen onbekender terrein. Toch slagen Daniel Lozakovich en Renaud Capuçon erin het publiek moeiteloos mee te voeren door een bijzonder afwisselend programma met werk van vier grootmeesters. Voor mij was het allemaal nieuw en des te boeiender. We horen muziek van Jean-Marie Leclair, Prokofjev, Wieniawski en Ysaÿe: een verrassende én geslaagde combinatie.
(c) Daniel Lozakovich
Jean-Marie Leclair (1697- op mysterieuze wijze vermoord in 1764), wordt beschouwd als de grondlegger van de Franse vioolschool. Volgens kenners was hij degene die het Franse vioolspel naar het niveau van de Italiaanse school tilde. Zijn oeuvre bleef lang ondergewaardeerd, ondanks de grote kwaliteit én omvang ervan. Leuk detail: Leclair was niet enkel componist, maar ook balletdanser, een veelzijdige kunstenaar in hart en nieren. Renaud Capuçon, een ware grootmeester van de viool, en het jonge toptalent Daniel Lozakovich brengen een schitterende en verfijnde uitvoering van zijn Sonate voor twee violen in e, op. 3 nr. 5. De twee violen vinden elkaar in een sierlijke dialoog die de elegantie van Leclair perfect laat schitteren.
Daarna volgt de Sonate voor twee violen in C, op. 56 van Sergej Prokofjev, geschreven in 1932 in Parijs en Sainte-Maxime. Prokofjev componeerde het stuk naar eigen zeggen als reactie op een “mislukt werk voor twee violen zonder begeleiding” waarvan de identiteit voor ons een raadsel blijft. Gelukkig inspireerde het hem tot een intrigerende duosonate. Het werk opent met een diep en expressief andante cantabile, een lyrische beweging waarin beide violen volkomen gelijkwaardig zijn. In het daaropvolgende allegro botsen twee contrasterende thema’s op elkaar: een energieke, bijna populaire dans en een meer lyrische lijn. De solisten jagen elkaar door de structuur heen, om te eindigen in een mysterieuze cadens. Het derde deel commodo, quasi allegretto vormt een lichtvoetig en dromerig intermezzo waarin ritmische fijnzinnigheid centraal staat. De finale, allegro con brio, brengt alles samen wat zo typisch Prokofjev is: ritmische scherpte, eigenzinnige accenten en duivelse dissonanties. Een explosie van karakter... en twee solisten op hun best.
Na Prokofjev klinkt werk van de Poolse componist Henryk Wieniawski, die net als Leclair een grote invloed had op de vioolpedagogie. Na vele omzwervingen kwam hij terecht in Sint-Petersburg, waar hij uitgroeide tot een van de centrale figuren van de Russische vioolschool. Zijn Études-Caprices, waarvan we de nummers 1, 2 en 4 horen, vormen een ware uitdaging voor elke violist. Elke étude richt zich op een specifieke techniek, maar bovenal laten ze zien hoe virtuositeit en muzikaliteit elkaar kunnen versterken. Lozakovich en Capuçon navigeren door dit labyrint van technische finesse met schijnbaar moeiteloze precisie.
Tot slot klinkt de Sonate voor twee violen in a van onze Belgische trots Eugène Ysaÿe. Hij studeerde onder meer bij Wieniawski en werd later de leraar van Koningin Elisabeth. Ysaÿe was niet iemand die hield van gratuit vertoon, voor hem lag de ware schoonheid in expressiviteit en puurheid, niet in overdadige virtuositeit. In zowel het allegro als de finale tonen Lozakovich en Capuçon hun meest geraffineerde vioolspel: gedecideerd, poëtisch, technisch feilloos en rijk aan romantische warmte.
Een uniek en origineel concert dat mij overtuigde van het rijke en veel te weinig verkende repertoire voor twee violen. Absoluut een ontdekking waard.
Reacties
Een reactie posten