Nikola Meeuwsen heeft niet stilgezeten sinds zijn overwinning in de Koningin Elisabethwedstrijd. Na een indrukwekkende tournee door Azië en ontelbare concerten in grote én kleinere zalen in Nederland en ver daarbuiten, staat de jonge pianist nu aan de vooravond van een bijzonder moment: zijn eerste recital op Parijse bodem, in de legendarische Salle Cortot. Alles wijst erop dat het een memorabele avond zal worden en Nikola Meeuwsen stelt niet teleur.
| (c) Simon van Boxtel |
Het recital opent met de Sonate K. 282 van Mozart, geschreven in de herfst van 1774. Mozart bevindt zich op dat moment in Salzburg, net voor hij opnieuw naar München zal vertrekken. Opmerkelijk is dat deze sonate pas na Mozarts dood werd gepubliceerd. Ze vangt uitzonderlijk aan met een Adagio in vier, vol melodieuze en lyrische lijnen. Een ideale ouverture voor Meeuwsen, die met zijn verfijnde toucher en sprankelende jeu perlé het publiek meteen weet bij de kraag te vatten.
Vervolgens neemt Chopin het woord met de Ballade nr. 3. Dit werk werd in 1842 voor het eerst uitgevoerd door Chopin zelf, bij Pleyel in Parijs, en verwierf vrijwel meteen een bijzondere status. In de Gazette musicale viel te lezen dat het ging om “een van de meest doorgedreven composities van Chopin. Zijn flexibele verbeelding is er zo in verspreid, met een nooit geziene glans.” Diezelfde glans laat Nikola Meeuwsen overvloeien naar de zaal, in een verfijnde en doorleefde interpretatie van dit iconische werk.
Daarna volgen de drie intermezzi op. 117 van Brahms, gecomponeerd in 1892. Critici uit Brahms’ tijd omschreven ze poëtisch als “drie herfstlandschappen die allemaal in het clair-obscur verblijven, zo geliefd bij de oude Brahms”. Het eerste intermezzo is gebaseerd op een oud Schots slaapliedje. Meeuwsen speelt het met zoveel gevoeligheid dat je een speld kunt horen vallen in de zaal. Die intense stilte blijft ook bij het tweede en derde intermezzo hangen, die hij met een opvallende maturiteit en rust tot leven brengt.
Als bekroning van de avond klinkt de Fantasie op. 17 van Schumann, door velen beschouwd als het opus magnum van de componist en zijn grootste pianistieke verwezenlijking. Schumann schreef het werk rond 1836, een bewogen jaar waarin hij door een diepe persoonlijke crisis ging: de vader van Clara verzette zich hevig tegen hun relatie. Later schreef Schumann aan Clara dat “om de Fantasie te begrijpen, men moest terugdenken aan die ongelukkige zomer van 1836, waarin hij afscheid van haar moest nemen”. Het resultaat is een werk van grote emotionele intensiteit, dat Nikola Meeuwsen met eenzelfde innerlijke kracht en overtuiging vertolkt. Hij weeft lange lijnen, bouwt spanning op en vertelt een meeslepend verhaal aan de piano. Het publiek is zichtbaar geraakt.
En dat publiek wil meer. Die wens wordt ingewilligd met drie toegiften: muziek van Beethoven en Bach/Busoni. Met een warm hart keert men daarna terug naar de Parijse avond, nog nagenietend van een ongelooflijk recital.
Reacties
Een reactie posten