Er zijn van die concerten die zich onuitwisbaar in het collectieve geheugen van de pianoliefhebber nestelen... Dat het recital van Alexandre Kantorow tijdens zijn passage in Flagey er zo een is, staat voor mij buiten kijf. Met een programma dat de verbeelding tart, brengt hij een fascinerende dialoog tot stand tussen gevestigde grootheden als Ludwig van Beethoven, Frédéric Chopin en Franz Liszt, en minder vaak gehoorde stemmen als Charles-Valentin Alkan en Nikolai Medtner.
| (c) Sophie Wolter (c) Elbphilharmonie |
Het recital opent met de magistrale Variaties op het thema “Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen S. 180" van Liszt, gebaseerd op een cantate van Bach. Deze variaties mogen niet verward worden met het werk met dezelfde titel (de prélude met nummer S. 179) dat Horowitz opnam in zijn laatste album. Alexandre Kantorow benadert deze partituur met een zeldzame integriteit. Hij vermijdt elke overbodige franje en laat de muziek in haar essentie spreken. De piano zingt, en wat zij vertelt, stemt tot diepe introspectie.
In het Franse tijdschrift Télérama omschreef Alexandre Kantorow Medtner als een componist die onterecht weinig aandacht krijgt. Met die gedachte begon ik aan de ontdekking van de Pianosonate in f, op. 5. De bedenking van Alexandre Kantorow wordt als snel helder: niet alleen omwille van de intensiteit, maar ook door de poëtische zeggingskracht van het werk verdient Medtner meer aandacht. Dankzij Kantorow krijgt deze componist een welverdiende plaats tussen de groten. De sonate stelt hoge technische eisen en wisselt lyrische passages af met meer cerebrale momenten. In Kantorows handen ontvouwt dit alles zich met een vanzelfsprekendheid die het publiek moeiteloos in zijn ban houdt.
Na de pauze keert Kantorow terug met de Prélude in cis, op. 45 van Chopin, een werk dat losstaat van de cyclus van de 24 Préludes. Hier toont de wereldpianist zich van zijn meest verfijnde kant. De interpretatie is uitgepuurd, bijna breekbaar, en vormt een subtiel scharnier in het programma. Van daaruit leidt hij ons naar een andere, minder bekende stem: Alkan. Dat diens oeuvre lange tijd door zijn tijdgenoten werd genegeerd, terwijl Liszt het wel degelijk naar waarde schatte, blijft een intrigerend gegeven. Pas in de twintigste eeuw kreeg zijn muziek de erkenning die zij verdient. Kantorow speelt de achtste prélude uit “25 Préludes, op. 31”, getiteld “La chanson de la folle au bord de la mer”. Het werk past wonderwel in het geheel: introspectief, licht speels en tegelijk eigenzinnig. Opmerkelijk is hoe hedendaags deze muziek klinkt, alsof zij zich moeiteloos onttrekt aan de verwachtingen die wij met de negentiende eeuw verbinden.
Met Vers la flamme van Alexander Scriabin, geschreven in 1914, betreedt Kantorow een meer visionair universum. Dit korte, maar intens geladen werk is minder een compositie dan een muzikaal gedicht. Hier wordt niet louter gespeeld, maar als het ware gedacht en geademd in klank. Kantorow weet dit ongrijpbare perfect te vatten. De spanning wordt langzaam opgebouwd, tot het publiek de adem inhoudt en zich volledig overgeeft aan het moment.
Als bekroning volgt wat Kantorow zelf een œuvre conclusive noemt: de Pianosonate nr. 32 in c klein, op. 111 van Beethoven. Deze laatste sonate, geschreven toen de componist al bijna volledig doof was, heeft een haast mythische status verworven. In twee delen ontvouwt zich een universum dat tegelijk aards en transcendent is. Vanaf de eerste noot neemt Kantorow ons mee door deze wervelende, existentiële partituur. Wanneer de laatste klanken wegsterven, blijft de zaal in verstilde verbazing achter.
De toegift, zo geeft Kantorow zelf aan, was geen evidente keuze na zo’n monumentaal werk. Uiteindelijk kiest hij voor Liszts bewerking van de Liebestod uit Tristan und Isolde van Richard Wagner. Het blijkt een subliem slotakkoord van een recital dat nog veel navolging zal hebben.
Alexandre Kantorow bevestigt zich hier als een pianist van uitzonderlijke klasse. Wie erbij was, weet dat hij getuige is geweest van een zeldzaam moment. Een avond om te koesteren.
Reacties
Een reactie posten